Home » Rechtsgebieden » Bestuursrecht » Nieuws » Een hockeyveld als achtertuin

Nieuws

Een hockeyveld als achtertuin

ABRvS 13 april 2011, zaaknr. 201008248/1/H1

Baas in eigen tuin

Hockeyveld in achtertuin is “speelvoorziening”

Iedereen heeft zo zijn eigen idee van een ideale tuin. De een houdt van gras, de ander van bomen en sommigen houden helemaal niet van groen en betegelen hun hele tuin. Dat is ieders eigen keus. Over goede smaak valt niet te twisten.

Maar waar ligt de grens van het toelaatbare? Wanneer is een tuin geen tuin meer?


Die vraag kreeg de Raad van State voorgelegd in een zaak waarin een “sportieve” burger zijn tuin had ingericht als onvervalst hockeyveld. Weliswaar iets kleiner bemeten (ongeveer 55 bij 30 m) dan een wedstrijdveld, maar toch. Aanvankelijk was het kunstgrasveld (ook nog) uitgerust met een hek en veertien lichtmasten, maar dat ging zelfs de gemeente te ver. Deze bouwsels zijn dan ook verwijderd. Het hockeyveld zelf, met belijning en doelen, bleef echter intact. Een buurman, die zich telkens geconfronteerd zag met ongewenste ballen op zijn terrein, vond dat er nog steeds sprake was van strijdigheid met het bestemmingsplan. Bij een woonbestemming, waar een tuin deel van uitmaakt, denkt men aan iets anders dan aan een compleet hockeyveld, zo was de redenering.

De gemeente dacht daar echter anders over, evenals de rechtbank en dus moest de Raad van State het pleit definitief beslechten. Deze oordeelde dat de vraag of het gebruik van het perceel strijdig is met de bestemming “woondoeleinden” dient te worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die het gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Met andere woorden: valt een hockeyveld nog te rijmen met de woonfunctie?

Waarom niet?, was de gedachte van ons hoogste rechtscollege. Onder de woonbestemming viel – naast de woning – ook het gebruik als tuin of groen- en speelvoorziening. Via “hockey is een spel” kwam de Raad van State tot het oordeel dat het hockeyveld een speelvoorziening is. Omdat het veld kleiner was dan een wedstrijdveld, niet langer werd gebruik als oefenveld (voor een hockeyteam) en op dat moment niet (meer) intensief werd gebruikt, paste het als speelvoorziening binnen de woonbestemming. In die zin viel het dus feitelijk gelijk te stellen aan een schommel of  zandbak.

Deze uitspraak roept nogal wat vragen op. Wat als de hockeyclub er wel weer gaat trainen? Is het dan opeens geen speelvoorziening meer? En waar ligt de grens tussen “gewoon gebruik” en “intensief gebruik”? Wie gaat dit controleren en op welke wijze? Moet de geplaagde buurman dan maar alle verdwaalde hockeyballen verzamelen ten bewijze van de gebruiksfrequentie?

Verhitte handhavingsdiscussies liggen hier op de loer. Mijns inziens had de Raad van State via het criterium “ruimtelijke uitstraling” ook tot een tegenovergesteld oordeel kunnen komen. Een oordeel waarmee in de praktijk beter valt te werken. Hoe dan ook: creatief is het wel en het begrip “tuininrichting” heeft een geheel nieuwe dimensie gekregen.

Wie u direct verder kunnen helpen?

mr. A.A.Westers mr. E.R.M.Holtz-Russel mr. T.J.J.Bodewes